Preventie

In Nederland is de incidentie van hepatitis C de laatste jaren teruggedrongen door preventieve maatregelen. Deze worden hieronder kort toegelicht.

Personen die (injecteerbare) drugs gebruiken

In de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw kwam de grootste bijdrage aan de hepatitis C epidemie door onveilig, met name injecteerbaar drugsgebruik met besmette naalden of andere instrumenten. Deze manier van overdracht van hepatitis C is grotendeels teruggedrongen door het invoeren van naalduitwisselingsprogramma’s, waarbij drugsgebruikers gratis veilige, schone naalden konden ophalen en vuile, onveilig naalden konden inleveren. Daarnaast is het gebruik van bijvoorbeeld heroïne grotendeels teruggedrongen door voorlichting over de gevaren en het faciliteren van methadonverstrekking. Door al deze maatregelen is het aantal nieuwe infecties door injecteerbaar drugsgebruik enorm omlaag gebracht. In de Amsterdam Cohort Studies (ACS) bijvoorbeeld is aangetoond dat de hepatitis C incidentie is gedaald van 27,5/100 PY eind jaren ’80 naar 2/100 PY gedurende 2001-2005 (22). Een later onderzoek (49) uitgevoerd in 2009 onder deelnemers aan de ACS toonde echter aan dat maar liefst 39% (23/59) van de drugsgebruikers die een infectie opliepen tijdens de studie vaak na genezing opnieuw geïnfecteerd raken en vaak met meerdere genotypes tegelijk geïnfecteerd raken. Dit laatste maakt behandeling meer uitdagend. Er valt dus nog veel te behalen in de voorlichting aan deze groep.

Mensen die bloed(producten) hebben ontvangen voor 1992

Een tweede manier van overdracht die heeft bijgedragen aan de hepatitis C epidemie in de vorige eeuw is de overdracht via bloedtransfusie. Na de invoering van de screening van bloedproducten op hepatitis C in 1992 hier in Nederland, zijn er nauwelijks meer nieuwe gevallen van hepatitis C door bloedtransfusie ontstaan. Het risico op het oplopen van hepatitis C via een bloedtransfusie is verwaarloosbaar.

Homo- en biseksuele mannen

De meeste nieuwe infecties doen zich voor onder homo- en biseksuele mannen (MSM). Uit een onderzoek in een SOA-kliniek in Amsterdam in 2007-2008 bleek dat de prevalentie van hepatitis C toenam onder hiv-positieve MSM (30). MSM werden halfjaarlijks getest op hepatitis C antistoffen en indien positief ook op RNA. De prevalentie bleek toe te nemen van 14,6% (7/48) in mei 2007 tot 20,9% (14/67) in mei 2008. Overigens was deze toename minder sterk als je de mensen met acute hepatitis C excludeerde. Een ander project onder hiv-positieve MSM, liet soortgelijke resultaten zien (28). Het bleek dat het aantal anti-HCV -positieve mensen toenam van 2,8% (1/36) in 1995 tot 18% (26/142) in 2008, om vervolgens af te vlakken of zelfs af te nemen tot 10% (15/146) in 2010. Dit gold ook voor het aantal RNA-positieve mensen: van 2,8% (1/36) in 1995 tot 15,5% (22/142) in 2008, naar 6,3% (9/146) in 2010. De uitvoerders geven aan dat de afvlakking of zelfs daling van de prevalentie mogelijk te maken heeft met beter bewustzijn van MSM over hepatitis C en zijn gevaren.

 

Ook de incidentie van hepatitis C in MSM is bestudeerd. In een SOA-kliniek in Amsterdam hebben ze in 2007 ingevoerd dat bezoekers met een risicovol seksueel contact ook standaard een hepatitis C test aangeboden kregen. Ze hebben vervolgens in 2010 het aantal positieve testen tot dat moment geanalyseerd van MSM die eerder hepatitis C-negatief waren (32). In 2007-2010 ontwikkelden 32 van de 869 hiv-positieve MSM antistoffen tegen hepatitis C, wat neerkomt op een incidentie van 2,4/100 PY. Van de hiv-negatieve MSM ontwikkelde niemand hepatitis C antistoffen. Een ander project, uitgevoerd onder hiv-positieve MSM in Amsterdam, toonde aan dat de incidentie van hepatitis C na vergoeding van de nieuwe hepatitis C middelen afnam (50). De incidentie van acute hepatitis C in 2014 (vóór volledige vergoeding medicatie) was 11,2/1000 PY en daalde naar 5,5/1000 PY in 2016 (ná volledige vergoeding medicatie). Het percentage re-infecties na succesvolle behandeling bleef gelijk, maar hoog in beide jaren: 23% (21/93) in 2014 tegenover 24% (12/49) in 2016. Andere studies bevestigen de hoge percentages re-infecties onder MSM (39-41), wat het belang van goede voorlichting en preventieve maatregelen benadrukt.

 

NoMoreC is een project van het MCFree consortium, een samenwerking tussen het AMC, GGD Amsterdam, Soa Aids Nederland en het Amsterdam Insitute for Global Health & Development (AIGHD). Zij streven naar het voorkomen van nieuwe hepatitis C infecties onder MSM. Dit doen zij door het bieden van voorlichting op hun website, maar ook op feesten en bijeenkomsten waar veel MSM komen. Daarnaast bieden zij thuistesten aan, waardoor iemand niet naar een bloedprik poli hoeft te gaan om zich te laten testen. Een van de projecten van NoMoreC is het ontwikkelen van een gratis toolbox, waarin zich spullen bevinden die de overdracht van hepatitis C kunnen verkleinen (bijvoorbeeld desinfectiemiddel, condooms en handschoenen).